Cartagena ruikt naar zout, frituur en jasmijn. Soms tegelijk.
De oude stad heeft muren van drie meter dik en straten zo smal dat twee mensen elkaar nauwelijks kunnen passeren. Daartussen verkoopt iedereen iets: fruit, sappen, vis, gebakken banaan met kaas.
De beste maaltijd van de reis kostte minder dan twee euro. Een vrouw genaamd Rosario maakte aan een karretje in de Getsemaní-wijk arepas con huevo: maïsbrood gevuld met ei, gebakken in een pan die ze elke dag schoon poets. Dertig jaar doet ze dit al, vertelde ze zonder opkijken.
Ceviche eet je aan het strand bij Playa de la Boquilla. De vis is van die ochtend, het limoensap is van de dag zelf, en de man die het maakt heeft er zin in.
Eten in Colombia is geen restaurant-ervaring, het is een straatgesprek. Elke hap een beetje achtergrond over wie het maakte en waarom.

